In een geanimeerde stemming is op een warme 25e mei woensdagavond door de 32 aanwezigen stevig gediscussieerd over de randvoorwaarden die vastgelegd zullen moeten worden door de gemeenteraad als deze nieuwe wet eraan komt.

Deelnemers aan de discussie waren afkomstig uit belangenorganisaties, instellingen voor zorg, adviesraden, de gemeente en de raad of belangstellend als inwoner van Nieuwegein.

Ter inleiding sprak Jan Schrauwen van de Sociale Alliantie over die randvoorwaarden. Hieronder een overzicht daarvan.

Het volledige verslag van deze hearing staat binnenkort op deze site. U kunt het ook aanvragen via het e-mailadres op deze site.

Randvoorwaarden voor de WMO

Inleiding door Jan Schrauwen (Sociale Alliantie).

Hoofdpunten in deze inleiding:
1. de WMO in hoofdpunten,
2. betrokkenheid van actieve burgers en
3. mantelzorg en vrijwilligerswerk.

1. De WMO in enkele hoofdpunten

Doel van de WMO is: meedoen!

De WMO stimuleert het eigen initiatief en het organiserend vermogen van de burgers. Gemeenten moeten voorzieningen bieden aan mensen die op geen enkele manier in hun eigen zorgbehoeften kunnen voorzien. Dit leidt tot een drietrapsmodel:

u Iedereen is eerst zelf verantwoordelijk voor het regelen van alle zaken die nodig zijn.

u Burgers zijn medeverantwoordelijk voor elkaar: vrijwilligerswerk en burenhulp,
maar ook sociale bedrijven, verenigingen, werkgroepen, buurtcomités. (civil society)

u De gemeentelijke overheid stimuleert dit maar regelt ook voorzieningen als men het niet zelf of samen kan oplossen.

De Welzijnswet, de Wet Voorzieningen Gehandicapten en de ondersteuning van de mantelzorg gaan per 1 januari 2006 naar de WMO.

Eerst was vastgesteld dat ook de enkelvoudige huishoudelijke zorg per 1 januari zou overgaan van de AWBZ naar de WMO. Huishoudelijk hulp in combinatie met andere zorg op basis van de AWBZ zou later overgaan. Omdat het gefaseerd invoeren van de huishoudelijke verzorging ongewenste gevolgen kan hebben voor burgers, wil staatssecretaris Ross nu dat alle huishoudelijke zorg in één keer overgaat naar de Wmo. In overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten is begin mei besloten de gehele huishoudelijke verzorging per 1 juli 2006 over te hevelen naar de Wet maatschappelijke ondersteuning.

N.B. De Tweede Kamer bepaalt na de resultaten van enkele pilots of de huishoudelijke verzorging in zijn geheel kan overgaan naar de Wmo. Tot dat moment houdt de Tweede Kamer vast aan de motie-Vietsch. Daarin staat dat eerst de mensen die alleen huishoudelijke verzorging nodig hebben met de Wmo in aanraking komen. Pas als dat goed ging, zouden ook mensen met andere AWBZ-hulp hun huishoudelijke hulp uit de Wmo krijgen. De Kamer maakte daarbij onderscheid tussen mensen die lichtere ondersteuning hebben en mensen die meer hulp nodig hebben.

De gemeente krijgt de regie over de WMO en moet elke vier jaar een plan maken, waarin staat
- welke steun de gemeente geeft

- hoe de samenhang in het gemeentelijke aanbod is

- welke resultaten behaald moeten worden

- hoe kunnen burgers zelf kunnen kiezen uit de activiteiten

Bij het opstellen van het plan betrekt de gemeente haar burgers, in het bijzonder de burgers om wie het gaat. De meest betrokken groepen: mensen met een handicap, ouderen, mensen met een laag inkomen.

De gemeente moet de belangen van verschillende groepen burgers in één samenhangend plan bij elkaar brengen. De gemeente moet verantwoording afleggen aan haar burgers en de inzet voor de WMO vergelijken met wat andere gemeenten doen.

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft een reeks randvoorwaarden opgesteld over de invoering van de WMO. Die gaan vooral over financiële aspecten van de WMO: de budgetten, de verdeling daarvan over de gemeenten, de uitvoeringskosten van de WMO en een bijdrage om de invoering te regelen.

In het Manifest De WMO alleen maar zo! hebben 14 landelijk samenwerkende organisaties ook een aantal randvoorwaarden vastgelegd.

n Individuele aanspraken als recht vastleggen

n Persoonsgebonden budget mogelijk maken

n Vraagsturing als principe invoeren

n Oormerken van gelden die naar de gemeenten gaan

n Vaststellen minimumniveau voorzieningen

n Cliëntenondersteuning goed regelen

2. De kennis en ervaring van de gebruikers van de zorgvoorzieningen moet al bij de vormgeving van het beleid voorop staan.

In een schriftelijke vragenronde in de Tweede Kamer heeft GroenLinks gevraagd naar de inzet van de staatssecretaris om per gemeente een WMO-raad in te stellen. De staatssecretaris antwoordde daarop: "Ik wil verplicht stellen dat gemeenten vertegenwoordigers van lokale gebruikersorganisaties raadplegen over het plan en dat burgemeester en wethouders niet eerder een beleidsplan aan de gemeenteraad voorleggen dan nadat deze vertegenwoordigers daarover hun advies hebben uitgebracht. Dat advies zal ook bij het beleidsplan worden gevoegd dat naar de gemeenteraad gaat."

Wij willen graag dat de staatssecretaris zo’n een advies verplicht stelt want dat garandeert dat de (vertegenwoordigers van) cliënten al bij het opstellen van verordeningen inbreng kunnen leveren.

Volgende vraag is dan hoe dat in de praktijk gaat.

In veel gemeenten bestaan diverse raden: cliëntenraad WWB, adviesraad minimabeleid, cliëntenraad WVG, gehandicaptenadviesraad, ouderenplatform of seniorenadviesraad, jongerenraad, vrouwenraad, vrouwenadviescommissie, wijkraden, projectraden, enzovoort...
De WMO omvat een breed beleidsterrein en raakt veel doelgroepen. Daarom zijn er verschillende modellen mogelijk voor het (her)inrichten van de burgerinspraak en cliëntenparticipatie.

Wat in ieder geval niet moet is dat een gemeente op basis van eigen overwegingen en zonder inspraak van cliëntenorganisaties besluit om bestaande cliëntenraden en adviesraden op te heffen
en andere in het leven te roepen. Wij pleiten daarom voor een gezamenlijk startpunt in de vorm van een lokale verkenning van de wensen van cliëntenorganisaties en hun inzet om de burgerinspraak rond de WMO vorm te geven.

Voor de WMO is lokale samenwerking van belang. Er is één gemeenschappelijk doel: een sociale en rechtvaardige WMO, waarin de belangen van alle betrokken groepen op een evenwichtige manier aan bod komen.

Voor een goede samenwerking is kennis van belang over de "prestatievelden van de WMO" én over wat iedere lokale organisatie kan bijdragen.

Om die kennis bij elkaar te brengen denk ik aan een rijtje vragen

- Welke voorzieningen zijn er nu en welke wensen zijn er verder nog?

- Wat wordt er geregeld in een algemeen aanbod, wat wordt daar bovenop voor specifieke groepen geregeld?

- Komt er één loket, dat de toegang tot de voorzieningen garandeert en hoe krijgt dat vorm?

- Hoe zorgen we ervoor dat dit alles maximaal ten goede komt aan de mensen die het het hardst nodig hebben?

Elke gemeente heeft lokale groepen van uitkeringsgerechtigden, platforms van gehandicapten, spreekuurpunten van allochtonen, netwerken van ouderenadviseurs en vakbondsgroepen. Ze steunen burgers die afhankelijk zijn van een uitkering of een voorziening. Het zijn knooppunten van kennis over de uitvoeringspraktijk. Die kennis hebben we hard nodig als we nieuw beleid gaan maken rond de voorzieningen die onder de WMO gaan vallen.

Tot nu toe heb ik het nog niet over een WMO-raad gehad. Wij vinden dat de ervaringsdeskundigheid van de plaatselijke groepen uitgangspunt moet zijn en dan is het instellen van een WMO-raad alleen niet genoeg. Een cliëntenraad WMO is een officieel orgaan. Taken en bevoegdheden zijn door de gemeenteraad vastgelegd in een verordening: hoofdtaak is het uitbrengen van adviezen aan de gemeente over het opstellen van het WMO-beleid en de uitvoering van de dienstverlening. Maar dat kan alleen als er ook energie en middelen zijn om problemen en klachten van onderop te verzamelen en die tot basis voor de advisering te maken.

En er zijn nog steeds gemeenteraadsleden die nog niet zo erg gewend zijn aan hun rol in het duale stelsel, ze zijn veel te terughoudend en volgzaam. Zij gaan vaak af op informatie vanuit het college of de ambtelijke staf of een extern adviesbureau. Centraal doel van de WMO is meedoen. Daarom is het een uitdaging om het geluid vanuit het cliëntenperspectief nu eens extra te versterken en tot uitgangspunt van beleid te maken.

Om hun rol goed te kunnen spelen hebben cliëntenraden voorzieningen nodig: vergaderruimte, telefoon, een computer, geld voor scholing en om een enquête te houden, kostenvergoedingen, ambtelijke ondersteuning. En ook achterbanorganisaties moeten hun ervaringsdeskundigheid op peil kunnen houden anders valt de basis onder het werk van de WMO-raad alsnog weg.

3. Mantelzorg en vrijwilligerswerk

De gemeente Nieuwegein is proeftuingemeente en zal zich in dit kader met name gaan richten op ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers.

De Wet Maatschappelijke Ondersteuning gaat uit van het idee dat mensen te gemakkelijk gebruik maken van collectief gefinancierde zorg. Wij kunnen ons daar niet in vinden. In de praktijk gaat het nu al zo als de staatssecretaris wil. Mensen zorgen bij voorkeur voor zichzelf. Waar dat niet meer lukt, wordt het grootste deel van de zorg al geleverd door mantelzorgers. Het beeld van overbelaste mantelzorgers is dan ook veel herkenbaarder. De staatssecretaris doet net of er nog een stuwmeer aan mantelzorg voorhanden is. Dat stuwmeer is er niet en het aanbod van mantelzorg zal in de toekomst alleen maar kleiner worden. In de eerste plaats vanwege de vergrijzing en ontgroening. In de tweede plaats doordat iedereen meer en langer aan het arbeidsproces moet deelnemen. Dat fundamentele probleem wordt door de WMO niet opgelost.

Het Sociaal en Cultureel Planbureau telde in 2001 3,7 miljoen Nederlanders, die voor hulpbehoevende vrienden of familieleden zorgden. Ongeveer 750.000 mensen deden dat langer dan drie maanden en meer dan 8 uur per week. Zo’n 150.000 tot 200.000 mantelzorgers dreigden emotioneel en/of fysiek te bezwijken onder hun zware werklast en een kwart miljoen mantelzorgers kwam door de zorg die zij verlenen, in de financiële problemen.

De 750.000 mantelzorgers die intensieve hulp bieden, leverden in 2001 gezamenlijk 1,3 miljard euro in: 830 miljoen voor extra gemaakte kosten en 450 miljoen voor gederfd inkomen doordat ze minder gingen werken of tijdelijk stopten. Het is belangrijk te bedenken dat die mantelzorgers meestal vrouwen zijn die hun werk veelal in stilte, onzichtbaar, doen. Als deze 750.000 mensen het minimumloon zouden krijgen voor hun werk, zouden zij jaarlijks samen netto 7,7 miljard euro verdienen, becijferde het SCP. Ter vergelijking: in de thuiszorg gaat jaarlijks 2 miljard euro om. Het SCP concludeerde al in 2001 dat de overheid mantelzorgers meer professionele hulp moet aanbieden of vrijstellen van maatschappelijke verplichtingen. Het rapport liet een grote behoefte aan extra thuiszorg zien. Dat is stelselmatig opgevangen door de mantelzorg.

Het is onbegrijpelijk dat het kabinet een beeld voorschotelt alsof mensen veel te gemakkelijk een beroep doen op de overheidszorg en iedereen veel meer zou kunnen zorgen. Dé factor die bepaalt of zorgbehoeftigen thuis kunnen blijven is de draagkracht van de mantelzorg, want dat is het fundament van de zorg. De gemeente Nieuwegein moet daarom extra inzet leveren voor ondersteuning van mantelzorg en om de samenwerking tussen mantelzorg en professionele hulp goed te laten verlopen.


4. Slot

Ik vat nog even een aantal randvoorwaarden samen.

In het Manifest De WMO alleen maar zo! hebben 14 landelijk samenwerkende organisaties een aantal randvoorwaarden vastgelegd.

n Individuele aanspraken als recht vastleggen

n Persoonsgebonden budget mogelijk maken

n Vraagsturing als principe invoeren

n Oormerken van gelden die naar de gemeenten gaan

n Vaststellen minimumniveau voorzieningen

n Cliëntenondersteuning goed regelen

De kennis en ervaring van de gebruikers van de zorgvoorzieningen moet al bij de vormgeving van het beleid voorop staan.

Het proeftuingebied waarop de gemeente Nieuwegein zich richt, mantelzorg en vrijwilligerswerk, raakt de kern van de WMO. Er moet extra inzet komen voor ondersteuning van mantelzorg en om de samenwerking tussen mantelzorg en professionele hulp goed te laten verlopen.